KAATSHEUVEL – In de beeldvormende ronde van donderdag 3 april kreeg de gemeenteraad van Loon op Zand een presentatie over mogelijke bezuinigingsrichtingen. Het betrof een overzicht van de opbrengsten van twee eerdere overleggen tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders. Besluiten worden pas later dit jaar genomen.
Net als in veel andere gemeenten staan ook in Loon op Zand de gemeentefinanciën onder druk. Teruglopende Rijksbijdragen en stijgende kosten maken de situatie nijpend. Het jaar 2026 wordt zelfs al het ‘Ravijnjaar’ genoemd. “In Loon op Zand is het niet anders dan in andere gemeenten van deze omvang,” stelt wethouder financiën Tonny Meulensteen. “We moeten wel tijdig met elkaar bespreken hoe we de dreigende tekorten willen opvangen.”
Om gezamenlijk gevoel te krijgen bij mogelijke keuzes, werden in februari alle raadsleden en fractieondersteuners uitgenodigd voor twee informele bijeenkomsten. “Dat waren waardevolle gesprekken,” aldus Meulensteen. “Zowel coalitie als oppositie gaf aan waarop men in geval van nood al dan niet zou willen bezuinigen.”
De ambtelijke organisatie bundelde de suggesties en vertaalde deze naar een presentatie, die op 3 april werd gedeeld met de raad. Dit leverde een eerste adviesrichting op, waarin zowel globale taakstellingen als meer concrete bezuinigingsopties werden gepresenteerd.
Wethouder Meulensteen benadrukt dat er nog niets vastligt. “We benaderen dit proces uiterst voorzichtig. Daarom hebben we vandaag ook contact gezocht met alle organisaties die in de presentatie genoemd worden. Op het lijstje staan betekent nog niet dat zij straks daadwerkelijk moeten inleveren.”
De opgehaalde input vormt een bouwsteen voor de Kadernota 2026. Hierin werkt het gemeentebestuur uit welke ambities het heeft voor inwoners en ondernemers, en hoe het financiële evenwicht behouden kan worden. De gemeenteraad neemt hierover in juni een besluit.
In het najaar volgt vervolgens de begroting. Daarin staat wat het beleid daadwerkelijk kost en of, en waar, bezuinigingen noodzakelijk zijn. “We hopen dat Den Haag tegen die tijd een beetje bij zinnen komt,” besluit Meulensteen.